De plaats van Henk Sneevliet in de nationale en internationale arbeidersbeweging
Henk Sneevliet was een intrigerende persoonlijkheid. Hij was een indrukwekkend vakbondsleider, leider van het NAS vanaf het begin van de jaren twintig tot aan de oorlog. Hij was ook partijleider, leider van de Revolutionair Socialistische Partij (RSP), later van de Revolutionair Socialistische Arbeiderspartij (RSAP) en haar illegale voortzetting tijdens de bezetting, het Marx Lenin Luxemburg Front (MLL-Front), tot aan zijn arrestatie in 1942.
De RSAP was een bijzondere partij. Ze was geen kleine propaganda groep, maar ze was evenmin een massa-partij. Ze zat er ergens tussen in.
In een bepaald opzicht was Henk Sneevliet één van de belangwekkendste figuren in onze traditie, naast Trotsky en de Russische sovjetcommunisten. Om zijn belang te schetsen: Sneevliet kan worden gezien als de medeoprichter van de revolutionair-socialistische beweging in Nederland, maar ook van de communistische beweging in Indonesië en de communistische beweging in China.
Sneevliet werd aan het eind van de negentiende eeuw (1883) in Rotterdam geboren. Hij kwam uit een katholiek proletarisch milieu. Zijn vader was sigarenmaker en in huis heerste armoede. Desondanks werd Sneevliet in staat gesteld de HBS te volgen. Na zijn schooltijd kwam hij bij de Spoorwegen.
Met zijn ambitie en intelligentie zag hij in die begintijd mogelijkheden om zich te ontplooien in de vakbeweging, in zijn geval in de Vereniging van Spoor en Tramwegpersoneel, die na de zo dramatisch verloren algemene spoorwegstaking van 1903 wederom moest worden opgebouwd.
Het optreden van Sneevliet werd sterk beïnvloed door de conjunctuur van de Nederlandse arbeidersbeweging. In die conjunctuur van de eerste helft van de twintigste eeuw waren een vijftal fasen te onderscheiden:
- De expansieperiode tot 1913/1914;
- De strijd van de revolutionaire krachten tegen de oorlog;
- De periode van de revoluties 1917-1920;
- De aantrekkingskracht van het zich ontplooiende Sovjet Rusland tot 1923/1924;
- De lange neergang van het revolutionair socialisme, onderbroken door opflakkeringen in het begin van de jaren dertig - uitmondend in het isolement en de malaise onder invloed van stalinisme en fascisme.
Sneevliets opstelling in elk van deze perioden zag er als volgt uit.
In de jaren tot 1914 rijpten de krachten die de voorwaarde vormden voor de consolidatie van het reformistische karakter van de Nederlandse arbeidersbeweging.
- Onder invloed van de late, trage industrialisatie vanaf 1895 vond een uitbreiding en vernieuwing van de arbeidersklasse plaats.
- De economische groei viel samen met de lange opgaande conjunctuurgolf van1895-1913 en zorgde voor reële verbeteringen, het stijgen van het onderwijsniveau en het tot stand komen van de eerste sociale wetgeving.
- De gunstige verkiezingsresultaten gaf de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) gelegenheid de effectiviteit van haar politiek, met name op gemeenteniveau, te demonstreren.
Deze ontwikkelingen versterkten de reformistische aard van de Nederlandse sociaaldemocratie. Een kenmerk dat al in aanleg aanwezig was toen de SDAP zich in de jaren negentig van de negentiende eeuw losmaakte van de anti kapitalistische, anarchistisch geïnspireerde 'oude beweging'. De SDAP was van meet af aan sterk parlementair gericht, hervormingsgezind, anti radicaal en anti revolutionair.
De vergaande aanpassing van de partij aan het burgerlijk milieu (denk aan de schoolkwestie en de bereidheid tot samenwerking met de liberalen) riep weerzin op bij een kleine groep intellectuelen rond het maandschrift De Nieuwe Tijd. Figuren als Herman Gorter, Anton Pannekoek, Henriette Roland Holst en Pieter Wiedijk beriepen zich op een kautskyaans marxisme en zetten zich fel af tegen de uit Friesland afkomstige advocaat Piter Jelles Troelstra. Iets later voegde zich bij de opposanten ook de Tribune-groep, veelal jongeren onder leiding van David Wijnkoop, Willem van Ravesteyn en Jan Ceton die aan de theoretische kritiek van De Nieuwe Tijd Groep een praktisch gevolg gaven. Door beide groepen werd de jonge Sneevliet die zich in 1902 bij de SDAP aansloot, geïnspireerd.
Toen de Tribune-groep in 1909 in Deventer werd gedwongen met de SDAP te breken, besloot Sneevliet net als zijn geestverwant Henriette Roland Holst niet mee te gaan. Ze beschouwden de groep, waaruit niet veel later de Sociaal Democratische Partij (SDP) voortkwam, als te sektarisch, te steriel en te geïsoleerd. Het ging inderdaad om een kleine groep marxisten die zich zonder noemenswaardige ervaring in de klassenstrijd en zonder aanmerkelijke arbeidersbasis van de hoofdstroom liet afscheiden. Tot aan 1917 betrof het hooguit enkele honderden personen, te weinig en vooral te weinig proletarisch om voor Sneevliet een kansrijk alternatief te vormen.
Liever bleef hij nog enige tijd bij de SDAP waar de massa van de arbeiders zich in verbinding met het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) ophield en waar nog niet alle vuur van de oppositie gedoofd was. Dat bleek bijvoorbeeld uit het afwijzen van regeringsdeelname in 1913, de kritiek op de godsvredepolitiek en de steun voor de revolutiepoging in 1918. Pas na de afsplitsing van de Onafhankelijk Socialistische Partij (OSP) in 1932 kwam de SDAP definitief in stilstaand reformistisch vaarwater terecht.
Na Deventer duurde het nog twee jaar vooraleer Sneevliet in 1911 met de SDAP brak, en wel na het verloren gaan of precieser gezegd na het om zeep helpen van de Haven- en Zeeliedenstakingen in Rotterdam en Amsterdam. Een herhaling van 1903 was voor Sneevliet een brug te ver, hij zegde zijn lidmaatschap op en sloot zich aan bij de SDP. Veel activiteit heeft hij er niet ontplooid, want zoals voor velen die in het vaderland vastliepen, lonkte Indonesië als een toevluchtsoord met vooruitzichten.
Concluderend kan men zeggen dat de intelligente, ambitieuze Sneevliet vooral een practicus was; hij had een activistische, enigszins arbeideristische inslag. Als vakbondsman verkoos hij het werken met grote groepen boven een steriele oppositie. Het zoeken naar een substantiële arbeidersmassa was hem liever dan het opgesloten zijn in een weliswaar zuiver, maar weinig invloedrijk Kapelleke. Tekenend is dat hij de SDAP niet verliet in 1909, maar pas twee jaar later, in het kielzog van een door SDAP- en NVV-leiders gebroken Amsterdamse Havenstaking. Hij werd weliswaar lid van de SDP, maar hij verkoos het leven voort te zetten in Indonesië. Betrokken raken bij het in zijn ogen vruchteloze oppositiewerk van de marxistische Tribune-groep lokte hem niet.
Vanaf 1913 is Sneevliet in Indonesië te vinden. Zes jaar zou hij er blijven tot hij in 1919 uitgewezen werd. Hij deed er belangrijke ervaringen op. Hij werd actief in de spoorwegbond, stond aan de wieg van de de Indonesische Sociaal Democratische Vereniging (ISDV), de latere Partai Komunis Indonesia (PKI), streed tegen de koloniale overheersing en droeg bij aan de radicalisering van de Sarekat Islam, de islamitische nationalistische massabeweging.
Na een kort intermezzo in Nederland — Sneevliet werd in 1919 wegens revolutionaire propaganda uit Indonesië verbannen — opende de Russische revolutie hem opnieuw de poorten naar Azië. Op het Tweede Congres van de Communistische Internationale in 1920 werd hij naast Lenin en de Indiër Roy gekozen tot secretaris van de Commissie van Nationale en Koloniale Kwesties en continueerde van nu af zijn revolutionaire werk in dienst van de Comintern onder de partijnaam Maring.
Beter dan wie ook begreep Sneevliet het belang van de Aziatische nationaal democratische beweging. Hij was een der eersten die het ontstaan bestudeerde van een brede op boeren steunende nationale beweging. In Indonesië en even later ook in China. Veel van zijn ideeën over semi-koloniale en koloniale landen werden geïntegreerd in de internationale revolutionaire beweging. Hij beklemtoonde het belang van alfabetisering en hij leerde de betekenis kennen van religie; hij kantte zich tegen een arrogante houding jegens de islam en had begrip voor de potentieel revolutionaire, anti-imperialistische dimensies ervan in veel Aziatische en Afrikaanse landen.
Sneevliet vervulde een pioniersrol en op veel problemen gaf hij eerste antwoorden. Sneevliet maakte daarbij fouten en volgens sommigen zelfs ernstige. Van hem kwam bijvoorbeeld het idee dat de Chinese communisten zich moesten organiseren in de Kwomintang (KMT); Het idee vloeide voort uit de tactiek van samengaan van communistische partijen met revolutionair nationalistische massabewegingen onder burgerlijke of kleinburgerlijke leiding in een anti-imperialistisch eenheidsfront.
Trotsky heeft zich niet tegen het anti-imperialistische eenheidsfront verzet, hoewel hij zich wel keerde tegen het opgeven van de onafhankelijke communistische organisatie en het onafhankelijke communistische vakbondswerk. Het zou communisten tot een hulpeloos aanhangsel van de KMT veroordelen. Toen Sneevliet zijn ideeën als reactie op Trotsky's kritiek bijstelde, werd hij voor Moskou minder aanvaardbaar. Moskou stelde op dat moment een groot vertrouwen in de KMT en zijn leiders Sun Yat-sen en iets later Tsjiang Kai-sjek en vreesde dat deze in een onafhankelijke communistische organisatie een teken van wantrouwen zagen. Sneevliet werd uit China weggewerkt en geplaatst op het Oosters Bureau in Moskou. Daar was hij getuige van de zich ontplooiende strijd van de linkse oppositie tegen de Stalin-fractie. Hij kreeg er sympathie voor Trotsky.
Samenvattend kan gezegd worden dat Sneevliet als een der eersten aandacht vroeg voor gekoloniseerde landen. Hij stelde het westerse, europeocentristische marxisme met haar exclusieve oriëntering op de arbeidersklasse ter discussie en verdedigde de aandacht voor de revolutionair nationalistische op boeren gebaseerde bewegingen. Daarbij erkende hij het revolutionair utopische potentieel van de Islam. Ook dit liet zien dat Sneevliet vóór alles gericht was op zelforganisatie van de massa en dat hij zijn politieke lot aan het bevorderen ervan verbond.
Na de frustrerende ervaringen met de Comintern keerde Sneevliet in 1924 terug naar Nederland en ging aan de slag in het NAS, het Nationaal Arbeidssecretariaat, de radicale, syndicalistische vakbeweging ter linkerzijde van het NVV. Hij werd gekozen tot betaald voorzitter.
In deze periode zette zijn ambivalentie ten opzichte van Sovjet Rusland zich door. Enerzijds bleef hij geloven in de potentiële mogelijkheden van dit post-kapitalistische land. Anderzijds werd hij verontrust door de autoritaire tendensen in het land, al hield hij zijn kritiek voorlopig nog op zak.
Sneevliet voelde zich meer en meer in een minderheidspositie gedrukt. Hieraan lagen twee ontwikkelingen ten grondslag:
- In de eerste plaats zette de bolsjewisatie vanaf 1924 door, dat wil zeggen de onderwerping van de Comintern en de bij haar aangesloten secties aan de politiek van de Sovjetpartij. Het leidde overal tot het royement van de aanhangers van Trotsky.
- In de tweede plaats veranderde de Comintern op bevel van Moskou zijn vakbondspolitiek, waarin op den duur voor arbeid in de onafhankelijke revolutionaire, syndicalistische vakbonden geen plaats meer was. In zijn streven naar samenwerking met de reformistische International Verbond van Vrije Vakbewegingen (IVV) bepaalde de door Moskou geleide Rode Vakbonds Internationale (RVI) dat de communisten zich dienden te organiseren in het NVV.
Voor kritische opposanten à la Sneevliet beloofde die ontwikkelingen weinig goeds. Een royement op termijn en een doodsteek aan het NAS was een vooruitzicht waar Sneevliet vanzelfsprekend niet mee kon leven.
Enig respijt genoot Sneevliet zolang Moskou een arbeidersbasis voor de Communistische Partij Holland (CPH), zoals de SDP inmiddels heette, in het NAS belangrijker vond dan het tot elke prijs doorzetten van een zielloze vakbondspolitiek van samenwerking met het NVV. Maar toen rond 1926 de discipline in De Internationale geen afwijking meer toeliet, was Sneevliets onafhankelijke positie onhoudbaar geworden en kwam een breuk naderbij.
De zorg om het voortbestaan van het NAS dicteerde aan Sneevliet het tempo waarin hij zijn strijd tegen het stalinisme vorm gaf en men kan zich afvragen of Sneevliet hierbij niet een tijdige, consequente anti-stalinistische oppositie opgeofferd heeft aan wat historisch een achterhoede gevecht bleek te zijn, namelijk de verdediging van het NAS.
Voor Sneevliet leek het NAS centraal te staan. Zelfs van een voorzichtige samenwerking met het NVV, zoals voorgesteld door de linkse NVV-bestuurder en SDAP'er Edo Fimmen, moest hij niets weten. Volgens hem waren NVV en SDAP hopeloos reformistisch en mocht er niets van worden verwacht; daar tegenover beschouwde hij het NAS ondanks zijn beperkingen als een revolutionaire organisatie en een factor in de klassenstrijd.
1926/1927 was voor Sneevliet een bewogen jaar. Omwille van het NAS brak hij met de RVI en de Comintern waarin een onderwerping aan de lijn van Moskou dwingend was geworden. Veel medestrijders van het eerste uur die Sneevliet ook persoonlijk goed had leren kennen, werden in Sovjet Rusland en daarbuiten als trotskist vervolgd.
Ook in Indonesië, op Java, belandde de communistische beweging op een doodlopende weg . De opstand van 1926 was verpletterd en de communistische PKI gedecimeerd. In China overkwam de communisten hetzelfde. De KMT en Tsjiang Kai-sjek, de geprivilegeerde bondgenoot van Josef Stalin, ontpopten zich als een bende moordenaars. Het waren ontwikkelingen die Sneevliet bijzonder aangrepen.
Vanaf 1927 werkte Sneevliet aan de opbouw van een onafhankelijke politieke organisatie, de Revolutionair Socialistische Partij (RSP), die sterk werd beïnvloed door zijn vriendschap met Trotsky en zijn respect voor diens ideeën. De partij ontwikkelde zich in de richting van een trotskistische of half trotskistische organisatie.
Er leken rond die tijd mogelijkheden tot een doorbraak. De officiële communisten hadden met hun sociaal fascisme politiek die de sociaal democraten als fascisten aanmerkte, weinig aantrekkingskracht. In en buiten de SDAP zochten oppositionelen, zoals Henriette Roland Holst , Harm Kolthek en Roel Stenhuis naar een alternatief.
Toch bleek de RSP dat alternatief niet te worden.
De oorzaak lag zowel in objectieve als in subjectieve factoren. De jaren dertig liet in Europa, en zeker in Nederland een verminderde strijdbaarheid van de arbeidersbeweging zien. Dat beperkte de mogelijkheden van revolutionair-socialisten. De RSP en later ook de RSAP vielen terug op de politieke kern in het NAS. En deze had, Sneevliet voorop, weinig fiducie in samenwerken met de sociaaldemocratie. Daarmee sloten ze zich niet alleen af voor linkse sociaaldemocraten, maar ook voor oppositioneel communistische stromingen. Deze oriënteerden zich in overgrote meerderheid, al of niet op gezag van Trotsky, op de massavakbeweging en niet op het syndicalisme.
Het betekende dat het revolutionair-socialisme in Nederland in de jaren dertig politiek geïsoleerd raakte en dat Sneevliet als het ware overmand werd in het bikkelharde gevecht om het voortbestaan van zijn beweging. Daarin moest hij optornen tegen burgerlijke repressie, tegen het benepen reformisme van de sociaaldemocratie, tegen het agressieve stalinisme van de CPN en ten dele ook tegen Trotsky en de door deze gestichte Vierde Internationale.
In dit laatste speelde een viertal conflictpunten een rol:
- de kwestie van het NAS;
- de intrede politiek (The French-Turn);
- de houding tegenover de Partido Obrero de Unificación Marxista (POUM);
- de stichting van de Vierde Internationale.
Hier is het niet de plaats om al deze punten uit te werken, wel wil ik ingaan op de moeilijkheden die er tussen Trotsky en Sneevliet persoonlijk ontstonden.
In 1936 brak er tussen Sneevliet en Trotsky een conflict uit. Het is lastig precies de oorzaken aan te wijzen, maar ongetwijfeld achtte Trotsky Sneevliet te verzoenend jegens anderen. Sneevliet koesterde een diepe vriendschap voor de Spaanse revolutionair Andrès Nin.
Door hun vriendschap was Sneevliet geneigd politieke fouten van Nin, die Trotsky een doorn in het oog waren, te vergoelijken. Sneevliet zweeg over de vorming van de POUM via een fusie met de 'rechtse oppositie' van de Spaanse Communistische Partij en tolereerde de aanpassing van de POUM aan de Volksfrontregering van de Republiek en haar poging de revolutionaire strijd te ontwapenen.
Het wekte de woede van Trotsky. Het waren geen kleine tactische verschillen. Het ging om principes. Toch moeten we zeggen dat Trotsky in zijn reactie overdreef. Zijn kritiek was wellicht terecht, maar het oordeel van Trotsky over Sneevliet was beschamend. Hij betoogde dat Sneevliets opstelling niet toevallig was, maar het gevolg was van zijn afhankelijkheid van het NAS. Het NAS, zo redeneerde Trotsky, was met een gouden ketting gebonden aan de overheid van welke het subsidies ontving. Zodra het oorlog werd, zou Sneevliet onder materiële druk capituleren voor de eigen bourgeoisie.
Toen het zover was, bleek Trotsky's voorspelling over Sneevliets capitulatie waardeloos. Sneevliet deed het tegendeel van wat Trotsky verwachtte. Sneevliet ontbond als eerste niet alleen het NAS en de RSAP, maar ging ook als eerste onder de vlag van het MLL-Front de illegaliteit in. Hij werd een voorbeeldig verzetsstrijder. In 1942 arresteerde de Gestapo de gehele leiding van het MLL-Front en sleepte haar voor het gerecht. Het was de eerste en enige veroordeling van een revolutionair-marxistische tendens tijdens de nazi-bezetting.
De blunder van Trotsky moet een waarschuwing zijn tegen het beslechten van conflicten met sociologische verklaringen.
We zoeken naar sociologische verklaringen, vooral wanneer we oog in oog staan met belangrijke veranderingen in de klassenstrijd, zoals bijvoorbeeld de capitulatie van de Duitse communisten voor Hitler. Maar dezelfde methode gebruiken bij politieke disputen van kleine groepen is gevaarlijk. Het leidt vaak tot onjuiste en onomkeerbare conclusies. Als iemand eenmaal ontmaskerd is als 'agent van de bourgeoisie', 'kleinburgerlijke opportunist' of 'hopeloze sektariër', is er geen weg meer terug. Wie wil met zo iemand nog in dezelfde partij?
Over die bijzondere relatie tussen RSP/ RSAP en het NAS nog het volgende: in het begin van mijn betoog merkte ik op dat de RSAP meer was dan een kleine propagandagroep. Het was geen massapartij, maar wel een relatief sterke partij met een aanzienlijke arbeidersbasis.
Daaraan heeft de band met het NAS in aanzienlijke mate bijgedragen. Het voorkwam dat de RSAP gereduceerd werd tot een van de vele marxistische propagandagroepjes, zoals elders in Europa met de revolutionair-socialistische beweging het geval was.
Via de persoon van Henk Sneevliet kreeg dit RSP/RSAP/NAS complex zijn fundament en op basis daarvan kon Sneevliet ook internationaal een rol spelen. Maar dat voordeel was tegelijk een nadeel; de relatie met het NAS stond uiteindelijk een samenwerking in de Vierde Internationale in de weg. Het betekende op den duur dat de RSAP niet kon profiteren van de ervaringen van revolutionairen over de nationale grenzen heen. In combinatie met de stagnatie van het syndicalisme, kenmerkend in de moderne industriële samenleving, leidde dat uiteindelijk tot het verdwijnen van de RSAP.
Het bevestigde wat ook over andere oppositiestromingen van vóór de oorlog gezegd kan worden. Ook al waren de Leninbund van Hugo Urbahns, de POUM of de Duitse SAP tientallen, soms honderden keren groter dan de secties van de Vierde Internationale, de veel kleinere trotskistische groepen bleven bestaan, terwijl de grote onafhankelijke revolutionair-socialistische organisaties verdwenen. De enige verklaring kan zijn dat deze organisaties niet in staat waren de ervaringen van revoluties en contrarevoluties op verschillende continenten en van verschillende generaties te belichamen. Het onderstreepte het belang van het idee van Marx en Engels, van Lenin en Trotsky dat het kapitalisme alleen op nationale basis niet te overwinnen is en dat daarom een internationale partij moet worden opgebouwd.
Tot slot
Sneevliet behoorde met Andrès Nin tot de belangrijkste vooroorlogse Europese trotskisten.
Zijn invloed was buitengewoon groot. Dat besefte ook Seyss-Inquart die het gratieverzoek van nota bene de rechters die Sneevliet ter dood hadden veroordeeld, van de hand wees. Seyss-Inquart liet weten 'Sneevliet als het prototype te beschouwen van een revolutionair op internationale grondslag' en verklaarde verder dat 'zijn intelligentie hem tot de gevaarlijkste tegenstander van elke staatsorde maakte'. Sneevliet werd met zes van zijn strijdmakkers op 13 april 1942 gefusilleerd.
Nog elk jaar wordt deze dag in herinnering gebracht door een groep revolutionair socialisten die op de begraafplaats in Velsen waar de doden zijn herbegraven, bijeenkomt. Het is een traditie die we moeten voortzetten, zoals we ook de herinnering aan Andrès Nin, die in Spanje door de stalinisten vermoord werd, bij ons moeten houden. We hebben geen moeite om dat eerbetoon aan de dag te leggen. Want het gaat om onze traditie, ondanks alle verschil van mening, ongeacht Sneevliets houding tegenover de Vierde Internationale. Omdat ze revolutionairen waren, zijn ze onze kameraden.